De Hemelvaart van Christus gebeurde conform de rede om drie motieven: Ten eerste, door zijn natuur behoorde de hemel Hem toe. Want het is conform zijn natuur dat ieder wezen terugkeert naar waar zijn oorsprong ligt. Welnu de oorsprong van Christus is God, die boven alles is. Jezus zegt immers tegen zijn apostelen (Joh 16,28): “Ik ben van de Vader uitgegaan en in de wereld gekomen; weer verlaat Ik de wereld en ga naar de Vader”. (…) Ook de heiligen stijgen op naar de hemel, toch stijgen ze niet op dezelfde manier als Christus op; Christus werd in de hemel opgeheven door zijn eigen macht, maar de heiligen stijgen op als meegetrokken door Christus. Ook zeggen we tegen Hem, zoals de bruid tegen de Bruidegom in het Hooglied (1,4): “Trek mij met U mee”. Je kunt ook zeggen dat niemand naar de hemel opstijgt als het Christus niet is. Christus is immers het Hoofd van de Kerk, en de heilingen gaan slechts naar de hemel omdat ze zijn ledematen zijn. Ten tweede behoorde de hemel aan Christus toe om zijn overwinning. Christus werd immers de wereld ingezonden om tegen de duivel te vechten, en Hij heeft overwonnen in de strijd: “Ik heb overwonnen en zetel met mijn Vader op zijn troon”, zegt Jezus (Ap 3,21). Tenslotte verdiende Christus het om in de hemel te zijn om zijn grote nederigheid. Er bestaat geen grotere nederigheid dan die van Christus, want terwijl Hij God was, Hij wilde mens worden. Terwijl Hij Heer was, wilde Hij het bestaan van een slaaf aannemen, gehoorzaam tot de dood (cf. Fil 2,7) en Hij daalde af in de hel: ook verdiende Hij het om verheven te worden tot in de hemel, op de troon van God. De nederigheid is de weg die leidt naar de verheffing. “Wie zichzelf vernedert, zegt de Heer (Lc 14,11), zal verheven worden.” En Paulus schrijft aan de Efeziërs (4,10) “Hij die is neergedaald, is dezelfde die ook is opgestegen hoog boven alle hemelen, om het heelal te vervullen”.H.

Thomas van Aquino (1225-1274), theoloog, dominicaan, kerkleraar
Commentaar op het Credo (vertaling Evangelizo.org)

Psalmen 47(46),2-3.6-7.8-9.
Klap in de handen, o volken,
juich God toe met jubelzang:

geducht is de Heer, de Allerhoogste,
machtige koning van heel de aarde.

God stijgt ten troon onder luid gejuich,
de Heer met geschal van bazuinen.

Zingt nu voor God, laat klinken uw zang,
voor onze koning een loflied.

God is koning van heel de aarde.
Zing een feestelijk lied voor Hem.

God heerst als koning over de volken,
God zetelt op zijn heilige troon.